Schuldeiser wordt toezichthouder
In de onderstaande brief schetst de Commissie Insolventierecht zijn
voorlopige bevindingen aan de Minister van Justitie. Achtereenvolgens
komen aan de orde: de uniforme procedure, de rol van bewindvoerders,
toezicht door schuldeisers, de rol van de rechter-commissaris en
kwaliteitseisen. De commissie pleit o.a. voor meer toezicht door de schuldeisers. Daarmee blijven de schuldeisers de voornaamste belanghebbenden inzake een faillissement, schuldsanering of surseance.Commissie InsolventierechtVoorzitter: Prof.mr.
S.C.J.J. Kortmann Postbus
9049 6500
KK Nijmegen
Aan Zijne Excellentie
De Minister van
Justitie
Mr
J.P.H. Donner
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Nijmegen, 13 april
2005
Betreft: Klachten
over het functioneren van bewindvoerders, curatoren en
rechters-commissarissen
Uw kenmerk:
5320214/04/6
Excellentie,
Bij brief van 18
november 2004 hebt u verschillende instanties verzocht antwoord te
geven op een aantal vragen betreffende klachten over het functioneren
van bewindvoerders, curatoren en rechters-commissarissen. Aanleiding
voor deze brief was een tweetal moties in het kader van wetsvoorstel
27 244 (nrs. 12 en 21). Onze commissie is verzocht aan te geven
hoe in de toekomst het toezicht op bewindvoerders en curatoren dient
plaats te vinden en hoe met klachten over hun functioneren dient te
worden omgegaan.
Onze commissie heeft
in de afgelopen maanden verschillende keren over de
toezicht-proble-matiek gesproken. De gedachtewisseling daarover is
nog niet afgerond. Wij zouden op dit moment willen volstaan met een
globale schets. Daarbij maakt de commissie het voorbehoud dat haar
uiteindelijke voorstellen op onderdelen van deze schets kunnen
afwijken.
Achtereenvolgens
komen hierna aan de orde: uniforme procedure, rol bewindvoerders,
toezicht door schuldeisers, rol rechter-commissaris, kwaliteitseisen
en kwaliteitsbewaking alsmede tuchtrecht.
Uniforme procedure
In deze brief gaan
wij veronderstellenderwijs ervan uit dat het (procedurele)
onderscheid tussen faillisse-ment, surseance van betaling en de
schuldsaneringsregeling in de nieuwe regelgeving niet meer bestaat.
In plaats daarvan komt een uniforme insolventieprocedure, waarbinnen
zowel reorganisatie van de onderneming als liquidatie van het
vermogen van de schuldenaar mogelijk is. Voor natuurlijke personen
zal de mogelijkheid van een "schone lei" blijven bestaan en
mogelijk worden uitgebreid. Hierbij denken wij aan de mogelijkheid
dat deze ook kan worden verkregen na het doorlopen van een minnelijk
traject. Degene die is belast met het bestuur van de insolvente boedel, wordt hierna
aangeduid als "bewindvoerder". Onder deze term is derhalve
zowel de huidige curator als de huidige bewindvoerder (in surseance
of schuldsanering) begrepen.
Rol bewindvoerder
De bewindvoerder
vervult zijn taak in de eerste plaats ten behoeve van de gezamenlijke
schuldeisers. Daarbij kan het gaan om tegeldemaking van het vermogen
van de schuldenaar en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers, maar ook om een reorganisatie van de door de
schuldenaar gedreven onderneming. Bij zijn beleidsafwegingen betrekt
de bewindvoerder ook belangen van maatschappelijke aard, zoals
werkgelegenheid (vgl. HR 24 februari 1995, NJ 1996, 472 en HR 19
december 2003, NJ 2004, 293). De bewindvoerder dient de insolventie
zodanig af te wikkelen dat alle daarbij betrokken belangen
overeenkomstig ieders rechtmatige aanspraak worden behartigd en tot
het meeste voordeel van de boedel (vgl. HR 10 januari 1910, W 8970).
Daarbij verdient aantekening dat de bewindvoerder veelal met
tegenstrijdige belangen heeft te maken, snel moet beslissen en dat
hem een zekere beleidsvrijheid behoort toe te komen.
Toezicht door schuldeisers
Gezien de aard van de
taak van de bewindvoerder ligt het in de rede het toezicht op de
uitvoering van deze taak in de eerste plaats te leggen bij de
schuldeiser(s). Deze dienen, meer dan thans het geval is, ervoor te
waken dat de bewindvoerder hun belangen naar behoren behartigt.
Hiervoor is nodig dat aan de schuldeisers meer en beter inzicht wordt
gegeven in de aanpak en de afwikkeling van de insolventie. Daarbij
verdient zowel de aard van de informatie als de wijze waarop door de
bewindvoerder informatie wordt verstrekt, aandacht. De bewindvoerder
dient de schuldeisers te informeren over belangrijke besluiten die
hij voornemens is te nemen. Men denke bijvoorbeeld aan een
voorgenomen besluit tot liquidatie of reorganisatie. Een dergelijk
voorgenomen besluit dient in beginsel zo tijdig aan schuldeisers
kenbaar te worden gemaakt, dat zij in de gelegenheid zijn bij de
rechter-commissaris hiertegen bezwaar aan te tekenen. Voorts dient de
bewindvoerder de schuldeisers periodiek te informeren over de
voortgang van de afwikkeling van de insolventie. De door de
bewindvoerders te verstrekken informatie zal met het oog op hun
beoordeling of de bewindvoerder adequaat functioneert voor de
schuldeisers toereikend en gemakkelijk toegankelijk moeten zijn. Meer
landelijke uniformiteit in de verslaglegging (vgl. de recente
Recofa-richtlijnen) en publicatie van de informatie op internet
kunnen deze toegankelijkheid (aanzienlijk) verbeteren.
Het overgrote deel
van de insolventies is niet erg complex van aard en kan binnen een
kort tijdsbestek worden afgewikkeld. Bij deze insolventies is in de
regel verdergaande bemoeienis van de schuldeisers niet nodig en
schuldeisers lijken hieraan ook geen behoefte hebben (vgl.
MDW-rapport, p. 58). Een en ander betekent echter niet dat een
verdergaande bemoeienis van schuldeisers moet worden uitgesloten. In
het bijzonder bij de insolventies met een meer complex karakter kan
een grotere betrokkenheid van schuldeisers gewenst zijn. De huidige
wet biedt hiertoe de (zelden benutte) mogelijkheid van de instelling
van een commissie uit de schuldeisers. De idee van de wetgever was
dat de commissie uit de schuldeisers zich bij haar handelen richt op
het belang van de gezamenlijke schuldeisers. In de praktijk lijkt dit
niet altijd het geval te zijn. Naar ons oordeel zal een
commissie uit de schuldeisers (of een vergelijkbaar instituut) in het
kader van het toezicht op het handelen van de bewindvoerder een
nuttige rol kunnen spelen, mits er ruimere mogelijkheden worden
geschapen om deze commissies in te stellen en er voldoende waarborgen
in de wet worden neergelegd dat deze commissie ook daadwerkelijk
optreedt in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. De
rol van een dergelijke commissie dient overigens, evenals thans het
geval is, verder te reiken dan louter toezicht. De commissie is
tevens adviseur van de bewindvoerder en moet instemmen met een aantal
essentiële beslissingen. Om te waarborgen dat de commissie ten
behoeve van het collectief van schuldeisers handelt, zouden in deze
commissie ook (of zelfs grotendeels) personen van buiten de kring van
schuldeisers benoemd kunnen worden. In voorkomende gevallen zou door
de rechter-commissaris een vergoeding ten laste van de boedel aan een
of meer leden van de commissie moeten kunnen worden toegekend.
Naast de schuldeisers
dient ook de schuldenaar de mogelijkheid te hebben zo nodig op te
komen tegen de wijze waarop de bewindvoerder de insolventie
behandelt. De bevoegdheid daartoe komt de schuldenaar ook thans toe.
In het voorgaande bepleite verbeteringen in de informatieverstrekking
ten behoeve van de schuldeisers zullen ook aan de schuldenaar ten
goede kunnen komen.
Rol
rechter-commissaris
De huidige rol van de
rechter-commissaris verdient heroverweging. Onder het huidige recht
is de rechter-commissaris niet alleen toezichthouder, behandelaar van
klachten en geschillenbeslechter, maar is hij ook
gesprekspartner/adviseur van de curator en verleent hij
machtiging/toestem-ming voor een aantal belangrijke
(rechts-)handelingen van de curator. De vraag is gerechtvaardigd of
onder het komende recht de rechter-commissaris niet meer op afstand
van de bewindvoerder zou moeten functioneren. Wanneer aan het
toezicht op de bewindvoerder in belangrijke mate gestalte kan worden
gegeven door de schuldeisers (en de schuldenaar zelf), behoeft van de
rechter-commissaris niet langer te worden verwacht dat hij
inhoudelijk toezicht op de bewindvoerder uitoefent. Onze commissie
denkt daarom aan een model waarbij de rol van de rechter-commissaris
zich concentreert op:
a. het beslissen van geschillen tussen de bewindvoerder en de
schuldenaar, schuldeisers of andere belanghebbenden;
b. het behandelen van
klachten over de bewindvoerder;
c. de verlenging van
de duur van afkoelingsperiode;
d. het afnemen van
verhoren van de (bestuurder van de) schuldenaar;
e. de bewaking van
het proces van de afwikkeling van de insolventie.
Aldus wordt voorkomen
dat enerzijds de schijn wordt gewekt dat de rechter-commissaris een
soort "partner" van de bewindvoerder is, terwijl anderzijds
van hem verwacht wordt dat hij als onpartijdige autoriteit geschillen
beslecht, klachten behandelt en het proces van de
insolventie-afwikkeling bewaakt. Het uitoefenen van toezicht op de
bewindvoerder, zoals dat oorspronkelijk aan de wetgever voor ogen
heeft gestaan, past daarbij niet goed. Onpartijdigheid vergt afstand.
Kwaliteitseisen en
kwaliteitsbewaking met betrekking tot bewindvoerders
Voor een goede
afhandeling van insolventies is de professionele kwaliteit van de
bewindvoerders, de rechters-commissarissen en de insolventierechters
van essentieel belang. In de afgelopen jaren is de professionele
kwaliteit van curatoren en bewindvoerders aanzienlijk verbeterd.
Vooral Insolad en de mede op haar initiatief georganiseerde
specialisatieopleidingen, en voor zover het de uitvoering van de WSNP
betreft de initiatieven van de Raad voor Rechtsbijstand Den Bosch,
hebben hieraan bijgedragen. Ook de meer recent door Recofa in
samenspraak met Insolad en de NVB vernieuwde
Faillissementsrichtlijnen verdienen vermelding. De vraag rijst echter
of niet meer structureel vorm moet worden gegeven aan kwaliteitseisen
en kwaliteitsbewaking. Daarbij kan (onder meer) gedacht worden aan:
* eisen voor de benoembaarheid tot bewindvoerder, bijvoorbeeld ten
aanzien van opleiding, ervaring, kantoororganisatie en integriteit
(ook voor de benoembaarheid tot lid van de commissie van schuldeisers
zouden dergelijke eisen kunnen worden geformuleerd);
* invoering van regelmatig terugkerende audits;
* uniformiteit in de uitvoeringspraktijk, zoals de wijze van
verslaglegging en publicatie daarvan, alsmede uniformiteit in de
behandeling (en registratie) van klachten;
* ontwikkeling van best practice rules.
Bij de structurele
vormgeving van de kwaliteitseisen en de kwaliteitsbewaking zou een in
te stellen onafhankelijke "Insolventieraad" een
richtinggevende rol kunnen spelen. Voor deze Insolventieraad zouden
bijvoorbeeld Insolad, Recofa, de Nederlandse Vereniging van Banken en
de Ontvanger leden kunnen leveren. De Insolventieraad zou bovendien
de overheid kunnen adviseren inzake belangrijke aangelegenheden op
het terrein van de insolventiepraktijk. Voor de uitvoering van de
audits (en eventueel verdergaand financieel toezicht) zou gedacht
kunnen worden aan het Bureau Financieel Toezicht als bedoeld in titel
IX van de Wet op het notarisambt of een vergelijkbare instelling.
Professionele
kwaliteit rechters-commissarissen en ondersteunend personeel
De (verdere)
verbetering van de professionele kwaliteit van
rechters-commissarissen en hun juridisch ondersteunend personeel
verdient aandacht. Onze commissie denkt aan (een combinatie van) de
volgende maatregelen:
* concentratie van de insolventierechtspraak (één
rechtbank per ressort);
* opleidingseisen voor rechters-commissarissen. Als voorbeeld kunnen
de (mede) door Insolad geïnitieerde specialisatieopleidingen en
de daarbij behorende vervolgopleidingen worden genoemd. Overigens
vraagt onze commissie zich af of het gewenst is voor
rechters-commissarissen een aparte specialisatieopleiding te
ontwikkelen. Een opleiding waaraan niet alleen
rechters-commissarissen, maar ook bewindvoerders deelnemen voorziet
wellicht in een betere vorming.
* opleidingseisen voor het juridisch ondersteunend personeel;
* voldoende ervaringsjaren; de functie van rechter-commissaris zou
daarom voor langere tijd vervuld moeten worden.
* carrièremogelijkheden binnen de rechterlijke macht voor
rechters-commissarissen.
Tuchtrecht
De invoering van een
eigen tuchtrecht voor bewindvoerders verdient naar het oordeel van
onze commissie overweging. Aangenomen mag worden dat dit een
belangrijke preventieve werking zal hebben. Onze commissie is er geen
voorstander van deze tuchtrechtspraak "onder te brengen"
bij het advocatentuchtrecht. Weliswaar worden de functies van curator
en bewindvoerder in surseance op dit moment vrijwel steeds door
advocaten vervuld, maar dat laat onverlet dat ook anderen als zodanig
kunnen worden benoemd. Ook onder het nieuwe recht dienen advocaten
geen monopolie terzake van het bewindvoerderschap te hebben.
Hoogachtend,
S.C.J.J. Kortmann,
voorzitter commissie
Insolventierecht
|